Hof Amsterdam: De inspecteur heeft terecht btw nageheven omdat de betreffende bv over een btw-nummer beschikte en dit ook aan afnemers verstrekte. Het maakt niet uit dat zij feitelijk geen ondernemersactiviteiten verrichte.
In deze zaak hield een bv alleen aandelen in een Kroatisch bedrijf en verrichtte verder geen activiteiten. Zij kreeg in 2010 mede op basis van haar KvK-inschrijving als houdersmaatschappij een btw-identificatienummer toegekend. De bv nam tussen 2016 en 2020 juridische adviesdiensten af van buitenlandse partijen in verband met een golfresort in Kroatiƫ, en verstrekte har btw-nummer aan deze dienstverleners. Zij moest op grond van de wettelijke regels de verschuldigde btw afdragen, maar zij gaf deze verleggings-btw niet aan. Hof Amsterdam bevestigde de opgelegde naheffingsaanslagen. Er was op basis van de KvK-inschrijving terecht een btw-identificatienummer toegekend. Uit artikel 7, lid 7, aanhef en onderdeel b Wet OB 1968 volgde dat de bv voor de plaatsbepaling van diensten als een btw-ondernemer gold door het gebruiken van het btw-nummer. Hierbij maakte het niet uit dat zij geen prestaties tegen vergoeding verrichtte. Nederland was op grond van de wettelijke regels de plaats van de dienst, waardoor de bv verplicht was de verlegde btw aan te geven en te voldoen. Anders dan de bv betoogde, bleek uit artikel 214 Btw-richtlijn niet dat er slechts in de daar genoemde gevallen een btw-nummer kon worden toegekend. De bv betoogde tevergeefs dat de inspecteur het btw-nummer had moeten intrekken en dat naheffing in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. In dit geval had de bv zelf kunnen vragen om intrekking van het btw-nummer, maar zij had dit niet gedaan.
Bron: Hof Amsterdam, 14 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1353
