Rechtbank Noord-Nederland: Als een btw-ondernemer aanvankelijk geen bezwaar heeft tegen het voldoen van btw, maar twintig jaar later alsnog die btw terugvraagt, is hij echt te laat.
Twee vennootschappen vroegen in brieven geschreven in juni 2022 om een teruggaaf van €172.765,36 respectievelijk € 161.606,81. Daarbij ging het om bedragen aan omzetbelasting met betrekking tot leveringen die in 2001 respectievelijk 2000 hadden plaatsgevonden. De inspecteur merkte de verzoeken aan de bezwaarschriften tegen voldoeningen op aangifte. Hij wees de bezwaarschriften eerst af, omdat zij niet tijdig waren ingediend. De belastingdienst zag geen geldig excuus voor het te laat indienen van bezwaarschriften. Daarnaast merkte de inspecteur de verzoeken aan als verzoeken om ambtshalve teruggaaf. Maar ook deze verzoeken wees hij af. De reden was dat de vennootschappen de verzoeken niet hadden ingediend binnen vijf jaar na het einde van de desbetreffende tijdvakken. De vennootschappen gingen in beroep tegen de afwijzing van hun verzoeken. Rechtbank Noord-Nederland wees erop dat de wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken is. De vennootschappen hadden hun bezwaren meer dan twintig jaar na het voldoen van de omzetbelasting ingediend. Daarmee was de bezwaartermijn dus ruimschoots overschreden. De bezwaarschriften zijn niet-ontvankelijk, tenzij in redelijkheid niet valt te zeggen dat de vennootschappen in verzuim zijn geweest. De vennootschappen stelden dat zij wel eerder in bezwaar hadden kunnen gaan, maar pas later een reden was ontstaan om in bezwaar te gaan. De rechtbank vond dat zon reden de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maakt. Dit geldt voor zwel redenen van feitelijke als juridische aard. De fiscus had de bewaarschriften daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Wat betreft het beroep tegen de ambtshalve beslissing, daarvoor moeten de vennootschappen niet bij de belastingrechter maar bij de civiele rechter zijn.
Bron: Rechtbank Noord-Nederland, 17 oktober 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:4217
