Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde in een recente uitspraak dat een nabetaling van een werkloosheidsuitkering belast is in het jaar van ontvangst, ook al had de betaling betrekking op eerdere jaren.
In 2020 ontving een vrouw een nabetaling van € 57.477 aan werkloosheidsuitkering, met betrekking tot de jaren 2017, 2018 en 2019. Deze betaling volgde op een langdurige juridische procedure, waarin het gerechtshof in 2021 oordeelde dat zij recht had op een uitkering. De vrouw voerde aan dat het bedrag fiscaal moest worden toegerekend aan de jaren waarop het betrekking had, aangezien zij alles had gedaan om tijdige betaling te verkrijgen. De rechtbank wees dit standpunt af en oordeelde dat het bedrag belast is in het jaar van ontvangst, zoals bepaald in artikel 3.146 Wet IB 2001. Volgens deze wet wordt een periodieke uitkering geacht te zijn genoten op het moment van ontvangst, verrekening of inbaarheid. Omdat het UWV de uitkering pas in 2020 betaalde, was dit het jaar waarin het bedrag belast werd. De rechtbank benadrukte dat een (langdurige) gerechtelijke procedure over een recht op uitkering geen wijziging brengt in het genietingsmoment. De vrouw verzocht ook om een schadevergoeding voor onder andere renteverlies en een hogere belastingdruk door de nabetaling in één jaar. De rechtbank wees dit af, omdat het beroep ongegrond was verklaard. Zij kan zich hiervoor tot de civiele rechter wenden. Of zij dit zal doen en kans van slagen heeft, zal nog moeten blijken. Deze uitspraak onderstreept dat voor de belastbaarheid van een uitkering het genietingsmoment doorslaggevend is, eveneens in het kader van nabetalingen van uitkeringen. Een beroep op een langdurige procedure die het uitkeringsmoment heeft uitgesteld, biedt geen soelaas.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant. 3 januari 2025. ECLI:NL:RBZWB:2025:10
