Staatssecretaris Van Rij geeft tijdens het beantwoorden van Kamervragen over constructies van Zuidas-partners te kennen dat de Belastingdienst constructies aanpakt die bedoeld zijn om de aanmerkelijk-belangregeling en de gebruikelijkloonregeling te omzeilen.
Van Rij antwoordt dat een standpunt waarbij de inspecteur het gebruikelijk loon vaststelt op € 360.000 terwijl de winstuitkeringen oplopen tot hogere bedragen mogelijk is. Het gebruikelijk loon wordt namelijk vastgesteld conform het wettelijke kader. Een winstuitkering naar de eigen vennootschap heeft daar geen invloed op. Civielrechtelijk is het voorts mogelijk dat de aanmerkelijkbelangregeling en daarmee de gebruikelijkloonregeling is te omzeilen door in plaats van een persoonlijke holding bv een gezamenlijke bv op te richten met meer dan twintig aandeelhouders. Doordat elke aandeelhouder een belang van minder dan 5% houdt, is de ab-regeling en dus de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing. Dit maakt dat de aandelen tot de grondslag van box 3 behoren en zodoende in die box worden belast. Het opzetten van een dergelijke constructie met het oog om het aanmerkelijkbelangregime en de gebruikelijk-loonregeling te omzeilen, is bij de totstandkoming van de Wet inkomstenbelasting 2001 onderkend. Van Rij is van mening dat dit in strijd is met de doelstelling van de wet. De Belastingdienst pakt dergelijke constructies aan, onder andere door te toetsen of feitelijk sprake is van een dienstbetrekking. Van Rij vindt het daarom niet nodig om nieuwe beleidsopties in kaart te brengen. Verder verwijst Van Rij naar het coalitieakkoord waarin is opgenomen dat het eindrapport van de commissie Regulering van Werk (commissie-Borstlap) en het hoofdstuk Arbeidsmarkt, inkomensverdeling en gelijke kansen uit het SER PILT-advies de leidraad vormen voor hoe de inrichting van de arbeidsmarkt van de toekomst eruit komt te zien.
Bron. Ministerie van Financien, 28 januari 2022,
