Hoge Raad: Het is onaanvaardbaar om belastingrente te berekenen over een periode waarin de belastingdienst al beschikt over het belastingbedrag. De regeling van de belastingrente dient hierop aan te sluiten bij de verzuimrenteregeling in de Awb.
Aan en bv was een (eerste) voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2016 opgelegd. De bv betaalde deze voorlopige aanslag in 2016. In 2018 werd een tweede voorlopige aanslag opgelegd vanwege de ingediende aangifte vennootschapsbelasting. Die aangifte resulteerde in een teruggave. Na het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting werd een boekenonderzoek ingesteld. De bv diende daarna een herziene aangifte Vpb 2016 in. Daarop werd een derde voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2016 opgelegd met belastingrente. De Hoge Raad oordeelt dat letterlijke toepassing van de belastingrenteregeling toe leidt dat over een belastingaanslag ook belastingrente word berekend over een periode waarin de belastingdienst al heeft beschikt over het belastingbedrag vanwege een eerder opgelegde voorlopige aanslag. Dit gevolg is onaanvaardbaar, omdat dit leidt tot een onverklaarbare afwijking van de verzuimrenteregeling in de Awb, waarbij de fiscale wetgever heeft willen aansluiten.
Bron: Hoge Raad, 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1673
