Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Box 3-heffing is een individuele en buitensporige last, zodra belastingplichtige voor betaling van zijn box 3-heffing moet interen op zijn vermogen.
Een man en zijn vrouw waren gehuwd en hadden voor de jaren 2017, 2018 en 2019 aangifte IB gedaan. Het in 2019 aanwezige belastbaar inkomen uit werk en woning bestond bij hen beiden uit een eigen woning zonder hypotheekschuld. Hun beider box 3-inkomens bedroegen voor die jaren € 27.299, € 24.645 en € 24.370. De door hen ieder afzonderlijk verschuldigde IB/PVV bedroegen, na toepassing van de algemene heffingskorting, € 5.933, € 3.128 en € 4.848. Zij hadden in die jaren € 12.577. € 5.541 en € 5.182 aan rente ontvangen. In geschil is of de box 3-heffing voor hen in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM. De Hoge Raad stelt voorop dat voor de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last, de daadwerkelijke rente-inkomsten moeten worden vergeleken met het op aanslag verschuldigde bedrag aan belasting. De rente-inkomsten moeten daarbij worden verminderd met een minimuminkomen die de algemene heffingskorting vertegenwoordigt. Hiervan uitgaande hield de rechtbank rekening met een minimuminkomen op basis van de eerste inkomstenbelastingschijf van 36,55% en de maximale algemene heffingskorting van € 2.254. Dat komt neer op een minimuminkomen van € 6.167 per persoon dat niet aangewend dient te worden voor het betalen van belasting. Indien de rente-inkomsten van € 6.288 per persoon, worden verminderd met het minimuminkomen van € 6.167, resteert niet voldoende beschikbaar inkomen om de op aanslag verschuldigde belasting te betalen. Dit leidt ertoe dat sprake is van een individuele en buitensporige last en daarmee strijd met artikel 1 EP.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 oktober 2021, ECLI:NL:RBZWB.2021:5149
