Hoge Raad: Vervreemding van vastgoed vindt plaats op het moment van verkoop, omdat op dat moment wilsovereenstemming bestaat over de verkoopprijs en niet op het moment dat de onroerende zaak wordt geleverd.
Een vrouw en haar echtgenoot handelden in en exploiteerden vastgoed. Zij hadden met de inspecteur een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin was overeengekomen wanneer een behaald voordeel als resultaat uit overige werkzaamheden kwalificeerde en wanneer sprake was van box 3-vermogen. In de vaststellingsovereenkomst was opgenomen dat bij vervreemding binnen vier jaar sprake was van een resultaat uit overige werkzaamheden. Een bepaald pand werd verkocht binnen vier jaar, maar de juridische levering werd uitgesteld tot na die vier jaar. De inspecteur wilde het verkoopresultaat belasten als resultaat uit overige werkzaamheden. De vrouw was het hiermee niet eens. In geschil was of de vervreemding binnen deze vier jaar had plaatsgevonden en daarom was belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Het hof vond met name het moment van belang dat het gerealiseerde voordeel vaststond. Dat moment is het moment waarop partijen dus het gerealiseerde voordeel vaststond. Na verkoopdatum heeft zich geen waardeontwikkeling meer voorgedaan.
Bron: Hoge Raad, 8 oktober 2021, ECII. NL. HR:2021:1446
