Rechtbank Gelderland: Erfbelasting vormt een individuele en buitensporige last, indien erfbelasting niet kan worden voldaan doordat de waarde van de nalatenschap kort na overlijden blijvend verloren is gegaan.
Een man was voor 1/3e gedeelte erfgenaam in de nalatenschap van zijn moeder. Tot de nalatenschap behoorde een woning met een WOZ-waarde van € 325.000. De woning werd in 2020 verkocht voor € 395.000, maar brandde twee dagen vóór overdracht in 2020 af. De brand was gesticht door de broer van de man. De schade werd niet gedekt door de verzekering. De woning werd uiteindelijk aan een derde verkocht voor €80.500. De man verzocht in de aangifte erfbelasting geen aanslag erfbelasting op te leggen, omdat sprake was van een negatieve nalatenschap. De inspecteur legde toch een aanslag erfbelasting op waarbij aangesloten werd bij de WOZ-waarde voor 2019. De man ging vergeefs in bezwaar en diende vergeefs een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule in bij de Staatssecretaris van Financiën. In geschil is of de aanslag erfbelasting terecht en naar een juist bedrag is opgelegd en of sprake is van een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP EVRM. De rechtbank oordeelt dat het moment van overlijden bepalend is voor het bepalen van de waarde van het verkregene en dat de waardedaling van de woning na dat moment niet relevant is. Er is echter sprake van een individuele en buitensporige last, indien die last zich in het geval van belanghebbende beduidend sterker laat voelen dan in het algemeen. Dat is in de onderhavige situatie het geval, nu de man uiteindelijk geen middelen uit de nalatenschap zal verkrijgen waarmee de aanslag erfbelasting kan worden voldaan en de uiteindelijke verkrijging uiteindelijk nihil is.
Bron: Rechtbank Gelderland. 21 februari 2022. ECLI.NL:RBGEL2022:896
