Rechtbank Den Haag: Alleen indien sprake is van een arbeidsovereenkomst kan een huishoudster ter zake van een aan haar door haar klant vermaakt legaat een beroep doen op de werknemersvrijstelling voor de erfbelasting.
Een vrouw verrichtte gedurende vijftien jaar intensief huishoudelijke werkzaamheden voor een alleenstaande man op leeftijd. Zij ontving daarvoor hooguit een klein geldbedrag, waarvan zij wasmiddelen kocht om de kleding van de man te wassen. De man gaf wel aan dat hij het nog wel goed zou maken. Bij zijn overlijden bleek dat hij in zijn testament De vrouw een bedrag van €50.000 had gelegateerd, vrij van kosten, maar niet van recht. In de door de executeur ingediende aangifte erfbelasting was geen beroep gedaan op een vrijstelling. De vrouw stelde zich op het standpunt dat zij in loondienst werkzaam was bij de man en deed schriftelijk beroep op de werknemersvrijstelling in de erfbelasting. In geschil is of deze vrijstelling van toepassing is. De rechtbank overweegt dat aanemelijk is dat het legaat verband houdt met de werkzaamheden die de vrouw voor de man heeft verricht en dat is spraken van voldoening aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw de zin van de werknemersvrijstelling. Om een geslaagd beroep te kunnen doen op de werknemersvrijstelling dient de belastingplichtige aanemelijk te maken, dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank slaagde de vrouw daar niet in. Aanemelijk is dat zij jarenlang veel voor de man heeft gedaan, maar niet onder welke voorwaarden zij haar werkzaamheden heeft verricht. Niet is gebleken dat er loon is ontvangen en een verplichting tot arbeid of een gezagsverhouding bestond.
Bron: Rechtbank Den Haag, 17 februari 2022. ECLI:NL:RBDHA:2022:1228
