Admarcon
Cafetafel bij een beregend raam met een krant, koffie en een lime paraplu aan de tafelrand

Home Nieuws Geen dubbele bijtelling na overname auto...

Geen dubbele bijtelling na overname auto overleden partner

Rechtbank Den Haag: Als een werknemer na het overlijden van zijn echtgenote tevens collega haar auto van de zaak overneemt en daardoor een dubbele bijtelling plaatsvindt, is sprake van een onbillijkheid van overwegende aard waarvoor een beroep op de hardheidsclausule kan worden gedaan.

Een echtpaar was in dienst bij dezelfde werkgever. Deze werkgever stelde aan iedere echtgenoot een auto van de zaak ter beschikking. De vrouw beschikte over een Hyundai i30 en de man over een Volkswagen Up. De man beschikte voor de Volkswagen een verklaring ‘Geen privégebruik auto’. De werkgever paste voor het privégebruik van de Hyundai de bijtelling toe. In 2019 overleed de vrouw en daarop nam de werkgever de Volkswagen van de man in, zodat de man vanaf augustus 2019 de Hyundai van de vrouw ging gebruiken. Vanaf die datum paste de werkgever de bijtelling toe op het loon van de man. De inspecteur stelde dat de werkgever over heel 2019 de bijtelling op het loon van de man had moeten toepassen. De inspecteur legde hem daarom een naheffingsaanslag loonbelasting op. De man ging in beroep tegen deze naheffingsaanslag. De rechtbank stelde vast dat de naheffingsaanslag conform de wetgeving was opgelegd. De man had namelijk niet aangetoond dat hij minder dan 500 privékilometers met de Hyundai had gereden. Daardoor was over het hele jaar de bijtelling van toepassing. Doordat de werkgever de bijtelling ook toepaste op het loon van de vrouw, trad echter dubbele belastingheffing op. De rechtbank weet deze dubbele heffing niet aan de ruwheid van de regeling. Het was de uitzonderlijke feitelijke situatie van de man die de oorzaak was. De wetgever had deze situatie volgens de rechtbank niet voorzien. Daarom is in dit geval het toepassen van de  hardheidsclausule op zijn plaats. De rechtbank vernietigde dan ook de naheffingsaanslag.

Bron Rechtbank Den Haag, 26 april 2021. ECLI:NLRBDHA 2021:7183