In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over kennelijk achterblijvende reiskostenvergoedingen voor werknemers gezien de actuele gestegen benzineprijzen.
Het zal per werknemer verschillen of er een stijging van de reiskosten heeft plaatsgevonden en hoe hoog die is. Voor sommige werknemers zal overigens sprake zijn van een daling, bijvoorbeeld door een zuiniger auto, een kleinere woon-werkafstand of vaker thuiswerken. Daarentegen zal voor andere werknemers sprake zijn van een stijging, bijvoorbeeld door toenemend autogebruik in plaats van bijvoorbeeld het openbaar vervoer of de fiets of een grotere woon-werkafstand. Dit laat onverlet dat bij een onveranderd reispatroon en brandstofverbruik de reiskosten van velen naar alle waarschijnlijkheid zullen zijn toegenomen als gevolg van de gestegen brandstofprijzen. Aan de hand van een voorbeeld komt de Minister uit op een gemiddelde stijging van de benzinekosten met € 10,83 per maand ten opzichte van april vorig jaar. In de meeste cao’s wordt voorts vaker een reiskostenvergoeding voor woon- werkverkeer opgenomen, die op of boven de wettelijk gerichte vrijstelling van € 0,19 per km zit. Hieruit kan echter niet worden geconcludeerd dat in die sectoren werknemers vaak niet de maximale onbelaste reiskostenvergoeding ontvangen, omdat geen zicht is op het daadwerkelijke gebruik. In verband met de gestegen brandstofprijzen zijn maatregelen aangekondigd, zoals de tijdelijke verlaging per 1 april van de accijns voor benzine en diesel met 21%. Daarnaast is het kabinet voornemens om per 1juli de btw op energie tijdelijk te verlagen van 21% naar 9%. In het Coalitieakkoord is voorts het voornemen opgenomen om de gerichte vrijstelling van € 0,19 per km vanaf 1januari 2024 te verhogen. In hoeverre daarvan gebruik wordt gemaakt, is aan werkgevers en werknemers.
Bron Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2mei2022. nr . 2022-0000100202
