Hof Den Haag: Er is geen dringende reden voor ontslag op staande voet, indien niet kenbaar was voor werknemer dat een gedraging tot ontslag op staande voet kon leiden.
Een man werkte bij een zelfbedieningswarenhuis, waar hij volgens de huisregels van werkgever recht had op één maaltijd bon. In de code of conduct van werkgever was opgenomen dat diefstal, fraude of ander ongepast gebruik van werkgevers eigendommen kon leiden tot disciplinaire maatregelen en zelfs einde dienstbetrekking. Nadat de man op een zondag tweemaal een maaltijdbon had opgehaald en daarmee werd geconfronteerd, ontkende hij herhaaldelijk een tweede maaltijdbon te hebben opgehaald. De man gaf uiteindelijk aan dat hij de tweede bon voor een collega had opgehaald, hetgeen die collega niet bevestigde. De werkgever ontsloeg de man daarop op staande voet. De kantonrechter vernietigde het ontslag op staande voet wegens het ontbreken van een dringende reden. In hoger beroep was in geschil of sprake was van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Hof Den Haag is van oordeel dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Vast is komen te staan dat de man de tweede maaltijdbon voor een collega had meegenomen en ongebruikt in zijn locker heeft laten liggen. De man had dus niet de bedoeling om zich de waarde van de tweede maaltijdbon toe te eigenen. Uit de regels van werkgever volgde voorts niet dat het verboden was om nog een maaltijdbon voor een collega op te halen. Het was voor de man niet kenbaar dat deze gedraging tot een ontslag op staande voet kon leiden. Er is dus geen dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Het ontslag was onterecht.
Bron: Hof Den Haag. 1 maart 2022, ECLINLGHDHA:2022:639
