Rechtbank Zeeland-West Brabant bevestigde dat ook de waardestijging van een tweede woning meetelt voor het werkelijke rendement in box 3. Daarnaast heeft de hoge raaf op 25 april bevestigd dat cryptovaluta tot de box 3-bezittingen behoren.
Het ging in de zaak voor echtbank Zeeland-West Brabant om een man die in Zweden woonde. De man stelde dat zijn werkelijke box 3-rendement lager was, maar de inspecteur wees zijn verzoeken om herziening af. Rechtbank Zeeland- West Brabant volgde de inspecteur omda5t uit recente rechtspraak van de Hoge Raad bleek dat ook ongerealiseerde waardestijgingen van vermogensbestanddelen tot het werkelijke rendement behoren. Aangezien de woning van de man in waarde was gestegen, was zijn werkelijke rendement hoger dan het forfaitaire rendement. Het cassatieberoep voor de Hoge Raad betrof een vrouw die in bezwaar stelde dat haar cryptovaluta toch niet voor box 3 meetelden. Er zou geen sprake zijn van een box 3-bezitting, omdat cryptovaluta niet onder de definitie van vermogensrechten in het BW vielen en er ook geen verplichting van een ander aan de belastingplichtige bestond. Hof Amsterdam verwierp dit betoog, waarna de vrouw in cassatie ging. De Hoge Raad verklaarde haar cassatieberoep ongegrond, omdat het Hof de wet niet verkeerd had uitgelegd. Het hof concludeerde dat cryptovaluta een economische waarde hebben en overdraagbaar zijn. Van belang was dat cryptovaluta verhandelbaar zijn en kunnen worden geleverd door het verzenden naar de wallet van de koper. Daarom was er volgens het Hof sprake van een box 3-bezitting.
Bron: Rechtbank Zeeland-West Brabant, 15 april 2025, ECLI: L: RBZWB:2025:2193; Hoge Raad, 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:683
