Nieuws

AB- regeling voor excessief lenen niet strijdig met het EVRM

De Kennisgroep aanmerkelijk belang gaat in op de vraag of het aannemen van een fictief regulier aanmerkelijk belangvoordeel bij excessief lenen strijdig is met het recht op ongestoord genot van eigendom. Daarnaast is de vraag of deze regeling een niet-toegestane strafheffing in de zin van artikel 6 of 7 EVRM is.

In het voorbeeld van Kennisgroep heeft een enig aandeelhouder (X) schulden aan zijn bv (Y BV). De schulden komen eind 2023 boven het maximumbedrag van artikel 4.14a, lid 2 Wet inkomstenbelasting. Hierdoor wordt het bovenmatige deel van de schulden als een fictief regulier ab-voordeel in aanmerking genomen onder 4.13, lid 1, onderdeel f wet IB 2001. X betoogt dat het reguliere voordeel niet bij hem in aanmerking kan worden genomen, omdat de regeling strijdig is met het recht op ongestoord genot van eigendom als bedeld in artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM). Verder stelt hij dat het rekening houden met een fictief regulier voordeel een onverenigbare strafheffing is in de zin van artikel 6 of 7 EVRM. De Kennisgroep beoordeelt of het fictief regulier ab-voordeel op stelselniveau in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom zoals omschreven in artikel 1 EP EVRM. Volgens de Kennisgroep is de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsmarge gebleven, waardoor de inmenging in het ongestoord genot van eigendom gerechtvaardigd is. Verder concludeert de Kennisgroep dat het fictief regulier voordeel ook geen onverenigbare strafheffing in de zin van artikel 6 of 7 EVRM oplevert.

Bron: Belastingdienst, 29 september 2025, nr. KG:003:2025:11

Facebook
Twitter
LinkedIn
WhatsApp
Email