Hof Amsterdam: Het aangaan van een ongelijke breukdelengemeenschap behelst geen schenking, maar het in het zicht van overlijden aangaan daarvan dient op grond van fraus legis naar doel en strekking van de Successiewet en met name de 180-dagenregeling gelijk te worden gesteld aan een schenking. Het ontgaan van erfbelasting bleek het overwegende motief te zijn geweest.
Een man en vrouw waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Ze gingen over naar huwelijkse voorwaarden, waarbij een breukdelengemeenschap ontstond van 10% voor de man en 90% voor de vrouw. De man was op dat moment ernstig ziek en overleed 1,5 maand later. De inspecteur legde een aanslag erfbelasting op, uitgaande van een verdeling 50% – 50%. De vrouw maakte bezwaar. De Inspecteur stelde dat de man een schenking van 40% had gedaan aan de vrouw door afstand te doen van zijn recht op 50%. De rechtbank was het hiermee niet eens, omdat geen sprake was van een voltooide vermogensverschuiving. Tevens stelde de Inspecteur dat sprake was van fraus legis, omdat het enige doel zou zijn geweest om erfbelasting te ontwijken. Ook hiermee was de rechtbank het oneens, omdat de huwelijkse voorwaarden niet gekunsteld waren en bij een vooroverlijden van de vrouw zelfs zeer ongunstig zou zijn. Hof Amsterdam was het met de rechtbank oneens waar het ging om het beroep op fraus legis. De huwelijkse voorwaarden waren gemaakt in het zicht van overlijden. Daarbij was de wijziging naar voornoemde breukdelen kunstmatig en daarom gebaseerd op vrijgevigheid. Naar doel en strekking van met name de 180-dageriregeling in de Successiewet dient de wijziging van het huwelijksvermogensregime te worden aangemerkt als een schenking met louter het ontgaan van erfbelasting als doorslaggevende motief.
Bron: Hof Amsterdam, 4 januari 2022, ECLI:NL:GHAMS 2022:96
