Hoge Raad: Een dga kan hoofdelijke aansprakelijkheid voor de door zijn bv verschuldigde loonbelasting voorkomen door tijdig betalingsonmacht van de vennootschap te melden. Dit is anders als hij zich heeft schuldig gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur in de drie aan de melding voorafgaande jaren.
Een dga hield indirect alle aandelen in een bv die een ingenieursbureau exploiteerde. De bv was in de jaren 2014 tot en met 2018 actief in bouwsector, maar investeerde vanaf 201312014 ook in sectoren met betere vooruitzichten. Desondanks verkeerde de bv in de periode vanaf maart 2014 tot en met augustus 2018 in financieel zwaar weer Doordat afdracht van de verschuldigde loonheffingen uitbleef, legde de inspecteur naheffingsaanslagen loonheffingen op. Omdat de bv ook deze niet betaalde, stelde de Ontvanger de dga hoofdelijk aansprakelijk. In beroep tegen de afwijzing op bezwaar gaf de rechtbank de Ontvanger gelijk. Bij Hof Den Haag was in hoger beroep in geschil of de Ontvanger de dga terecht aansprakelijk had gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen. Het Hof is van oordeel dat dit niet het geval was. De door de dga en het ingenieursbureau ondernomen handelingen waren voornamelijk erop gericht om tot een zo goed mogelijke bedrijfsmatige aanpak te komen en niet de bedrijfsvoering te beëindigen, ook met het oog op behoud van de werkgelegenheid. Op bestuurlijk vlak waren maatregelen genomen met gebruikmaking van rekeningen van een zustermaatschappij. Het Hof vernietigde de aansprakelijkstelling. De Hoge Raad bevestigde zonder nadere motivering het oordeel van het Hof.
Bron: Hoge Raad. 24 februari 2023. ECLI:NL:HR:2023:300
