De Kennisgroep ‘inkomstenbelasting niet winst’ heeft op 7 november een standpunt gepubliceerd over de fiscale kwalificatie in box 3 van ter belegging gehouden gouden munten.
Aan de Kennisgroep is de volgende casus voorgelegd. Een belastingplichtige houdt ter belegging diverse binnen- en buitenlandse gouden munten aan. Een deel van de gouden munten heeft in de betreffende landen de status van wettig betaalmiddel, maar wordt in de regel niet als zodanig gebruikt. Dit komt doordat de marktwaarde van de gouden munten (veel) hoger ligt dan de nominale waarde. De vraag is of deze gouden munten onder de box 3-wetgeving met ingang van 1 januari 2023 kwalificeren als contant geld als bedoel i artikelen 5.2 lid 3 onderdeel c Wet IB 2001. Het standpunt van de Kennisgroep is dat de gouden munten niet als contant geld kwalificeren, maar behoren tot de vermogenscategorie ‘overige bezittingen’ voor box 3. De Kennisgroep verwijst voor dit standpunt onder andere naar de Memorie van Toelichting in de Overbruggingswet box 3. Hieruit blijkt dat het enige rendement dat mogelijk is op contant geld, eventuele koersresultaten zijn op buitenlands contant geld de officiële munteenheid/valuta van een land bedoelt waarbij de nominale waarde steeds gelijk is aan de waarde in het economische verkeer. In het geval van gouden munten in de officiële munteenheid/valuta, geldt dat deze waarde niet gelijk is. De waarde wordt namelijk niet bepaald door de nominale waarde van de munt, maar door de edelmetaalwaarde (intrinsieke waarde) of de numismatische waarden (de muntkundige waarden). Hierdoor is er met deze munten meer rendement te behalen dan alleen koersresultaat.
Fiscaal Totaal januari 2026.