Rechtbank Gelderland: Dat er materieel gezien sprake zou kunnen zijn van een kwijtschelding, betekende nog niet dat de (rest) vordering op de zoon ook was prijsgegeven. Uit de verdere omstandigheden bleek dat de vordering (nog) niet was kwijtgescholden.
Het ging hier om een gehuwde man. Zijn echtgenote en fiscaal partner was de enig aandeelhouder van een bv. De bv verstrekte in 2006 een lening van € 90.000 aan de eenmanszaak van hun zoon. In 2014 weigerde de inspecteur het afboeken van de vordering (op dat moment nog € 74.745) ten laste van het resultaat omdat, er sprake zou zijn van een onzakelijke lening. De onderneming van de zoon werd in 2025 failliet verklaard. Hij werd ook persoonlijk failliet verklaard. Vervolgens werd hij toegelaten tot het Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP)- traject, waardoor de vordering volgens de leningsvoorwaarden opeisbaar werd. Na het opmaken van de slotuitdelingslijst ontving de bv uiteindelijk slecht een klein deel van haar vordering. Er was volgens de inspecteur sprake van een winstdeling omdat de restantvordering was prijsgegeven. Rechtbank Gelderland volgde het standpunt van de man dat er geen sprake was van een onttrekking of winstuitdeling. Er was niet gebleken dat de restvordering het vermogen van de bv definitief had verlaten of dat zij de vordering op enige manier had prijsgegeven. De bv had zelfs het volledige bedrag van haar restvordering bij de curator van het faillissement ingediend. Er was sprake van een situatie die materieel overeenkwam met een formele kwijtschelding, maar dit betekende nog niet dat de restantvordering was prijsgegeven. Dat er na opmaak van de slotuitdelingslijst geen actie was ondernomen, was onvoldoende om een kwijtschelding aan te nemen.
Bron: Rechtbank Gelderland, 4 Juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5301